Moeite met spelling

Moeite met Spelling

”Ondanks het vele oefenen zie je dat de geschreven tekst van je kind boordevol spelfouten zit. Op school wordt je kind extra begeleid en ook thuis wordt er veel geoefend. Hoe kan het dan dat je kind toch hardnekkige fouten blijft maken?”

Geheugen

Als je aan een volwassene vraagt waarom hij of zij een woord zo heeft gespeld, dan zal je niet zo snel als antwoord een spellingregel te horen krijgen, maar eerder ‘’Dat weet ik gewoon.’’. Ons geheugen speelt bij het spellen van woorden een centrale rol. Ons geheugen is als het ware een computer met een enorme database waarin alle woorden zijn opgeslagen. Wanneer we een woord moeten spellen, gaan we meteen op zoek naar het woord in onze database. Dit wordt woordbeeldstrategie genoemd:  we halen woorden met hun spelling uit ons geheugen. De sterkst ingeprente (dus meest frequente) vorm is het eerst beschikbaar. Wanneer we het woord in onze database niet kunnen vinden en de woordbeeldstrategie dus niet beschikbaar is, gaat ons geheugen over op de analogiestrategie: welk woord lijkt op het woord wat ik moet spellen? Het onbekende woord wordt analoog gespeld met een woord wat wel in de database zit. Bijvoorbeeld: ‘’veer’’ heeft het geheugen niet paraat, maar ‘’beer’’ wel, daardoor wordt ‘’veer’’ wel correct geschreven.

Als de woordbeeldstrategie en de analogiestrategie beiden niet kunnen zorgen voor het correct spellen van een woord, dan gaat het geheugen over op de fonologische strategie: het woord wordt geschreven zoals diegene het woord hoort. Het woord ‘’veer’’ wordt dan bijvoorbeeld geschreven als ‘’vir’’ of ‘’fir’’. Wanneer de fonologische strategie niet door het geheugen gebruikt wordt, kan het geheugen over gaan op de regelstrategie: bij het schrijven van een niet klank-zuiver woord wordt een spellingregel toegepast.

Strategiegebruik

Uit onderzoek blijkt dat er zelden door zwakke spellers gebruik wordt gemaakt van spellingregels. Herhaling van regels kan zelfs verwarrend werken. In de praktijk zie je vaak dat een leerling de regels keurig op kan dreunen, maar tijdens het spontane spellen kan de leerling de regels niet toepassen. De meningen binnen het onderwijs zijn hier enorm over verdeeld en het levert vaak hevige discussies op.

Wat werkt?

Uit onderzoek is gebleken dat alleen regels opdreunen geen effect heeft: je kan dan spellingregels omschrijven, maar niet toepassen. Er is een aanpak nodig van automatisering tot spellingkennis en behoud hiervan op langere termijn. Dit kan door de database in je geheugen aan te gaan vullen: je gaat woorden inprenten. De computer leent zich hier goed voor. Dit kan door middel van een trainingsprogramma: 

de computer toont eerst het woord en spreekt het uit. De leerling memoriseert het woord. Vervolgens verdwijnt het woord en wordt het door de leerling getypt. Zwakke spellers profiteren ervan dat het woord eerst hardop wordt uitgesproken: dit brengt een sterkere verbinding tussen spraak en schrift. Door woordbeeld (visueel) en klankbeeld (auditief) aan elkaar te koppelen, wordt het woord verankerd in het geheugen.

Waar moet een computerprogramma aan voldoen?

Een computerprogramma voor leerlingen met spellingproblemen moet beschikken over de volgende kenmerken:

  1. visueel dictee
  2. (over)typen
  3. directe feedback (ook auditief)

Programma’s zoals Woef, WRTS en Bloon kunnen hier bij ingezet worden. Het programma Bloon heeft geen auditieve functie, maar is heel goed te gebruiken wanneer er één-op-één gewerkt wordt. Je leest dan zelf de woorden voor. Veel herhaling en overlearning is noodzakelijk, omdat spellingkennis snel vervalt. Overlearning betekent niet alleen veel oefenen, maar ook: toepassen van het geleerde. Dit kan door betekenisvolle schrijfactiviteiten aan te bieden. De aangeleerde vaardigheid wordt dan functioneel toegepast.

Wanneer je de computer niet wilt of kunt inzetten, kun je woorden op een klein papiertje schrijven. Elk papiertje bevat 1 woord. Het woord leg je voor je, je leest het woord hardop in stukjes en daarna in zijn geheel. Vervolgens wordt het kaartje omgedraaid en wordt het woord gecontroleerd. Als het woord fout gespeld is, wordt het in zijn geheel opnieuw opgeschreven. Dit is van groot belang, anders wordt het woord fout ingeprent.

Wat ikzelf vooral belangrijk vind: kijk naar het kind. Wat heeft het kind nodig om beter te kunnen spellen? Ik heb leerlingen gezien die aan (sommige) regels wel houvast hadden, maar ze hadden vaak wel een reminder nodig om aan de spellingregels te denken. Zeer zwakke spellers heb ik vooral veel regels zien verwarren, maar ik heb ook leerlingen gezien die zich door de spellingregels zekerder voelden. Kortom: elk kind is anders.

Bovenstaande informatie is uitgebreider te lezen in het volgende artikel wat ik in 2015 schreef voor het vakblad Tijdschrift voor Remedial Teaching van de LBRT: Artikel spelling Sanne Jonges LBRT 2015-2-7

Bronnen:

Bos, M. (2004). The efficacy of spelling exercises for poor spellers (proefschrift). Amsterdam/ Duivendrecht: VU.

Bos, M., Reitsma, P. (2003). Experienced teachers’ expectations about the potential effectiveness of spelling exercises. Annals of dyslexia, 53, 1, 104-127.

Daems, F. (2006). “Beter (leren) spellen in 2005?” Universiteit Antwerpen (Dept. Taalkunde en Instituut OIW).

Hilte, M., Reitsma, P. (2011). Activating the meaning of a word facilitates the integration of orthography: evidence from spelling exercises in beginning speller. Journal of Research in Reading, 34, 3, 333-345.

Pacton, S., Perruchet, P., Fayol, M., Cleeremans, A. (2001). Implicit Learning out of the lab: the case of orthofrafic regularities. Journal of experiment, 130, 3, 1-26.

Schiffelers, I., Bosman, A.M.T., & van Hell, J.G. (2002). Uitspreken-wat-erstaat: een effectieve spellingtraining voor woorden met inconsistente foneem-grafeem relaties. Tijdschrift voor Orthopedagogiek, 41, 320-331.

Scott, C.M. (2000). Principles and methods of spelling instruction: applications for poor spellers. Topics in Language Disorders, 20, 3, 66-82.

Steffler, D.J. (2001), Implicitcognition ans spelling development (2001). Development Review, 21, 168-204.

Wanzek, J., Vaughn, S., Wexler, J., Swanson, E. A., Edmonds, M., & Kim, (2006). A synthesis of spelling and reading interventions and their effects on the spelling outcomes of students with LD.  Journal of Learning Disabilities, 39, 528-543.